Israël & Palestina

Van wie is, juridisch gezien, het land?

Geschreven op 04-01-2018 door Arie van Ooijen

De afgelopen anderhalve maand was er het nodige te doen rondom Israël.
Het besluit van president Donald Trump om de ambassade van de VS te laten verhuizen van Tel Aviv naar Jeruzalem en
daarmee Jeruzalem als hoofdstad van Israël te erkennen kon en kan wereldwijd gezien op weinig steun rekenen.

Steevast staat het Israël-Palestina conflict op de agenda van de bijeenkomsten van de Verenigde Naties.
Hoe terecht is dit eigenlijk? En heeft Israël wel echt recht op het land, ook als we de bijbel buiten beschouwing laten?
Is Israël te stellig geweest in de geschiedenis of juist veel te ‘lief’?
Worden de betwiste gebieden terecht ‘bezet’ genoemd of is het land juridisch gezien gewoon eigendom van Israël?
En als het daadwerkelijk van Israël is, hoe groot is het land waar Israël recht op heeft dan eigenlijk?
In onderstaand artikel worden de belangrijkste feiten uit de geschiedenis met begeleidende tekst uiteengezet op een simpele en overzichtelijke manier

Het was de in Egypte geboren terroristenleider Yasser Arafat die de term ‘Palestijnse volk’ voor het eerst ging gebruiken in 1967, om daarmee de verschillende Arabische terreurbewegingen onder een gemeenschappelijke noemer te verenigen. Tot die tijd werd de term ‘Palestijnen’ veelal gebruikt voor de Joodse en Arabische bewoners van het mandaatgebied Palestina (1920-1948), ofschoon Arabische nationalisten zich liever Syriërs noemden. De Joodse krant die tegenwoordig ‘The Jerusalem Post’ genoemd wordt, heette van 1932 tot 1950 ‘The Palestine Post’. Golda Meir, voormalig premier van Israël, schreef in de New York Times op 14 januari 1976: “Toen ik in 1921 naar Palestina kwam, werden wij […], de Joodse pioniers, Palestijnen genoemd. Zo noemde de wereld ons. Arabische nationalisten, aan de andere kant, wezen deze benaming steevast af. Arabische woordvoerders bleven erop hameren dat het land dat wij al eeuwen koesterden gewoon een deel van Syrië was, net als Libanon.”

Voor Arafat en zijn trawanten verwees Palestina enkel naar het land van de staat Israël, zoals dat bestond binnen de grenzen van vóór 1967. Dat blijkt onder meer uit artikel 24 van het Handvest van de Palestine Liberation Organization (PLO) uit 1964.

Voor degenen voor wie de Bijbel niet de belangrijkste bron is om vast te stellen dat slechts het volk Israël aanspraak heeft op Eretz-Israël, het Land Israël, omdat God dat zo heeft bepaald (zie o.a. Genesis 15:18, 17:7-8, 28:13-15, Jeremia 16:14-15 en Amos 9:11-15), wordt hieronder aangetoond dat Israël ook krachtens het internationaal recht aanspraak heeft op Eretz-Israël, dus inclusief Judea, Samaria, de Golanhoogte, de Gazastrook, de Sinaï en zelfs Jordanië. Dat de Joodse staat Israël om politieke en andere redenen bereid is niet alle aanspraken op te eisen, die zij volgens het internationaal recht heeft op Eretz-Israël, staat buiten kijf, maar dat doet aan de rechten van het Joodse volk op zich niets af.

  1. Terug naar de beslissende jaren 1915 tot 1925, toen het moderne Midden-Oosten werd gevormd. Want tot de Eerste Wereldoorlog was er eeuwenlang geen één onafhankelijke Arabische staat en trouwens ook geen Joodse staat. Ruim vier eeuwen hadden de islamitische Turken geheerst over het Midden-Oosten. Toen het Ottomaanse Rijk verdween, werd in 1916 het Sykes-Picotverdrag geboren, genoemd naar de Britse respectievelijk Franse onderhandelaars. Volgens dat verdrag zouden de Arabieren één of meer eigen staten moeten krijgen in het door de Turken vier eeuwen lang bestuurde Midden-Oosten. Palestina, dat precies vierhonderd jaar onder Turkse heerschappij had gestaan, viel niet onder dat aan de Arabieren toegezegde gebied. In de tijd van de Turkse overheersing werd overigens veelal gesproken over het Heilige Land of Eretz-Israël en niet over Palestina. Het waren de Britten die aan het einde van de negentiende eeuw Eretz-Israël weer Palestina gingen noemen (de oude antisemitische en door de Romeinen verzonnen naam om Israël te krenken, genoemd naar het niet meer bestaande volk ‘de Filistijnen’, Israëls oude vijand).
  1. Een jaar na het Sykes-Picotverdrag trachtte Groot-Brittannië onder dit geheime verdrag uit te komen. Het wilde liever alleen het bestuur voeren over Palestina. Om de Zionistische Organisatie voor zich te winnen, gaven de Britten op 2 november 1917 daarom de Balfour-verklaring uit, waarin ze beloofden alles in het werk te stellen om de verwezenlijking van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina mogelijk te maken. De brief van de Britse Minister van Buitenlandse Zaken, Arthur James Balfour, aan Lord Rothschild, de belangrijkste leider van de Joodse gemeenschap in Groot-Brittannië, luidde: “Met groot genoegen zend ik u namens Zijne Majesteits regering de volgende verklaring van sympathie met het Joodse zionistische streven. Ze werd het kabinet voorgelegd en door het kabinet goedgekeurd. Zijner Majesteits regering staat welwillend tegenover de oprichting van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina en zal zich de grootste inspanningen getroosten om het bereiken van dat doel te vergemakkelijken, waarbij vanzelfsprekend niets gedaan kan worden dat aan de burgerlijke en religieuze rechten van niet-Joodse gemeenschappen in Palestina of aan de rechten van de Joden als burgers van andere landen afbreuk zou kunnen doen. Ik ben u erkentelijk wanneer u deze verklaring ter kennis wilt brengen van de Zionistische Federatie.” Volgens de Britten moest Palestina exclusief gereserveerd worden voor het Joodse volk. De Britse premier Lloyd George liet hierover geen twijfel bestaan in zijn instructies aan de Britse onderhandelaar, Mark Sykes. Frankrijk, Italië en de Verenigde Staten betuigden hun instemming met de inhoud en strekking van de Balfour-verklaring. Omdat de Balfour-verklaring aan de wieg stond van de hierna te bespreken Resolutie van San Remo, enkele jaren later en dàt verdrag het belangrijkste oprichtingsdocument is van de staat Israël, is het goed om aandacht te schenken aan de betekenis van de woorden ‘tehuis’ en ‘in Palestina’.
  1. Tijdens de Vredesconferentie van San Remo van 1920, waarbij Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië en Japan, de grootmachten van die tijd, de Ottomaanse gebieden in het Midden-Oosten gingen verdelen, werd niet getwijfeld aan de inhoud en strekking van de Balfour-verklaring. Het was voor de grootmachten van die tijd duidelijk dat Palestina uiteindelijk een onafhankelijke Joodse staat moest worden. Dit zou, aldus Balfour, het oude onrecht herstellen dat negentien eeuwen daarvoor was begaan door de vernietiging van de laatste Joodse staat in Judea door de Romeinen. Tijdens de eerste zitting op 24 april 1920, die geheel aan Palestina was gewijd, besloten de grootmachten daarom dat de Balfour-verklaring de basis zou vormen voor het bestuur over Palestina. De volgende dag werd de Resolutie van San Remo aangenomen door de geallieerden en werd Groot-Brittannië officieel als gemachtigde gekozen om uitvoering te geven aan de Balfour-verklaring. In de Resolutie van San Remo werd de Britse regering nu daadwerkelijk verplicht om de Balfour-verklaring ten uitvoer te leggen, in plaats van, zoals voorheen, zich naar beste kunnen in te spannen om bij te dragen aan de vestiging van een Joodse staat of een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina. In plaats van een inspanningsverplichting rustte op de Britse regering vanaf nu een resultaatsverbintenis. Twee jaar later werd in het Mandaat van Palestina verwezen naar de Resolutie van San Remo en dienovereenkomstig bepaald dat His Britannic Majesty verantwoordelijk was: “[…] voor de oprichting van het Joods nationaal tehuis, zoals vastgelegd in de considerans, en voor de ontwikkeling van instellingen voor zelfbestuur […]”

 

1920 Original territory assigned to the Jewish National Home

Verschillende vooraanstaande deskundigen in het internationaal recht stellen daarom terecht dat, nu het gebied Palestina, volgens de Resolutie van San Remo, exclusief bestemd was om aldaar een Joodse staat te vestigen, de soevereiniteit over het hele land Palestina aan het Joodse volk behoorde toe te komen vanaf het moment dat deze resolutie werd aangenomen! De kenmerken van de soevereiniteit, in het bijzonder de wetgevende functie en het bestuur van het land, zouden alleen nog door Groot-Brittannië, in zijn hoedanigheid van gemachtigde, worden uitgeoefend, zolang het mandaat nog duurde. Gedurende de mandaatperiode werd de Britse regering ook geacht de rol van beheerder en die van mentor van het Joodse volk te vervullen. De Resolutie van San Remo is uiterst belangrijk, omdat de staat Israël rechtens haar bestaansrecht aan dat document ontleent en niet, zoals algemeen wordt aangenomen, zelfs in Israël, aan de VN-verdelingsresolutie van 29 november 1947. De Resolutie van San Remo, die de Balfour-verklaring bindende internationale rechtskracht verschafte, is hét handvest van de rechten van het Joodse volk op geheel Palestina. De Resolutie van San Remo zorgde trouwens ook voor de voorlopige onafhankelijkheid van Syrië en Mesopotamië, het latere Irak. Deze Arabische staten danken, net als Palestina, rechtens hun bestaan aan de Resolutie van San Remo.

  1. Nadat de grootmachten in San Remo hadden besloten dat de Balfour-verklaring de basis vormde voor de verdere besluitvorming ten aanzien van Palestina, werd het besluit van San Remo met betrekking tot Palestina, als uitgangspunt genomen in het Mandaat van Palestina. Daarmee verkreeg de Balfour-verklaring indirect en de Resolutie van San Remo direct een bindende, internationaal rechtelijke status, aangezien het Mandaat op 24 juli 1922door alle 51 lidstaten van de Volkenbond – waarvan 25 Europese landen – werd goedgekeurd. De goedkeuring van de Verenigde Staten volgde twee jaar later in een apart verdrag. De Volkenbond verklaarde destijds in Londen unaniem: “Overwegende dat hierbij erkenning wordt gegeven aan de historische band van het Joodse volk met Palestina en de gronden voor het reconstitueren van hun nationaal tehuis in dat land;” Met het opnemen van de Resolutie van San Remo in de considerans van het Mandaathandvest, werden de historische rechten van het Joodse volk op het gehele gebied van Palestina (opnieuw) bevestigd en door de internationale gemeenschap gelegitimeerd. Het Mandaat kende immers alleen aan het Joodse volk – en uitdrukkelijk niet aan de Arabieren – nationale en politieke rechten toe op Palestina. Dat was ook logisch omdat de Arabieren, zoals gezegd, zelfbeschikking kregen in Syrië, Libanon, Irak en het Arabisch schiereiland. Elke poging om het recht van het Joodse volk op Palestina ofwel Eretz-Israël ongedaan te maken of haar de toegang en de controle te ontzeggen over het gebied dat aan het Joodse volk werd toegezegd door de Volkenbond, is regelrecht in strijd met het volkenrecht. Op grond van het internationaal recht mogen Joden daarom overal in Palestina ofwel Eretz-Israël wonen en zich vestigen, zowel ten westen als ten oosten van de Jordaan.
  1. Amper vijf jaar na de Balfour-verklaring, deed Winston Churchill, destijds als Staatssecretaris voor de Koloniën belast met de Palestijnse zaak, op 3 juni 1922 een White Paper uitgaan, waarin de term ‘nationaal tehuis’ totaal anders werd gedefinieerd dan in de verklaring van Balfour oorspronkelijk bedoeld was. Dit White Paper moest de schendingen van de bepalingen van het Mandaat door de Britten een jaar daarvoor rechtvaardigen. Want in mei 1921 werd Palestina door de Britten opgedeeld in twee delen, terwijl het Mandaat van Palestina, dat in de considerans het besluit van San Remo had opgenomen, dit uitdrukkelijk verbood: “De gemachtigde is verantwoordelijk erop toe te zien dat er geen Palestijns grondgebied wordt afgestaan of in pacht wordt gegeven of op enigerlei wijze onder de controle van de regering van een buitenlandse macht wordt geplaatst.” Het bestuur over het oostelijke deel, circa 77% van het mandaatgebied, dat Transjordanië werd genoemd, bleef weliswaar onder Britse supervisie, maar werd overgedragen aan emir Abdullah, de zoon van Hoessein ibn-Ali, de Sjarief van Mekka.

 

Mandate 1922

 

Volgens het White Paper moest het Joods nationaal tehuis in Palestina verder de vorm krijgen van een religieus of cultureel centrum voor Joden. En daarmee blokkeerde Churchill de aanloop naar een Joodse staat in Palestina onder Britse auspiciën. Onder druk van het Arabische nationalisme begonnen de Britten, in tegenstelling tot haar opdracht om “de Joodse immigratie te bevorderen” (artikel 6 van het Mandaat), de immigratie van Joden te beperken. Dit leidde tot ongekende menselijke drama’s. Zo presteerden de Britten het vanaf 1922 om Joodse vluchtelingen, die vanwege pogroms gedwongen waren om Oost-Europa te ontvluchten, bij hun aankomst in het aloude thuisland, terug te sturen, ongeacht of zij over geldige immigratiepapieren beschikten. Groot-Brittannië deed er alles aan om de oprichting van het Joods nationaal tehuis te dwarsbomen, onder meer door juist de immigratie van Arabieren naar Palestina te stimuleren. Zo verraadden de Britten op brute en schandalige wijze, binnen enkele jaren, het Zionistisch streven.

Aangezien de kwestie van de Israëlische nederzettingen in Judea en Samaria tegenwoordig omstreden is, is het van belang erop te wijzen dat in artikel 6 van het Mandaat expliciet aan Joden het recht wordt gegeven zich overal in het land Palestina te vestigen: “Het bestuur van Palestina […] zal de Joodse immigratie bevorderen […] en zal, in samenwerking met het Joods Agentschap als bedoeld in artikel 4, nabije Joodse nederzettingen aanmoedigen […]” Voorts kunnen, volgens artikel 15 van het Mandaat, Joden, alleen al op grond van hun religie, niet worden uitgesloten van enig deel van Palestina: “Geen discriminatie, van welke aard dan ook, zal gemaakt worden tussen de inwoners van Palestina op grond van ras, religie of taal. Niemand mag uit Palestina worden uitgesloten op de enkele grond van zijn religieuze overtuiging.”Deze bepaling gold ook voor Transjordanië tijdens het bestuur van Abdullah van 1921 tot 1946 toen, onder de door de Britten eenzijdig gewijzigde voorwaarden van het Mandaat, alle expliciete verwijzingen naar het Joods nationaal tehuis waren verwijderd. Het recht van individuele Joden om te wonen en zich te vestigen in wat eens Oost-Palestina werd genoemd – tegenwoordig het hasjemitisch koninkrijk Jordanië – is nooit rechtsgeldig ingetrokken of gewijzigd en is volgens het internationaal recht nog steeds volledig van kracht, ondanks de onrechtmatige uitsluiting door Jordanië van Joden van zijn grondgebied. Als gevolg van het beleid van de Britse gemachtigde en later van de Jordaanse regering, werd Jordanië geheel Judenrein gemaakt. In de Jordaanse wetgeving, in het bijzonder de Jordaanse wet uit 1954 betreffende nationaliteit, worden Joden openlijk gediscrimineerd doordat hen het recht op het verkrijgen van ingezetenschap wordt ontzegd. De Jordaanse wet legt daarnaast de doodstraf op aan een ieder die grond aan een Jood verkoopt. Dergelijke wetten zijn schaamteloos in strijd met de specifieke voorwaarden van het Mandaat, dat precies dat soort discriminatie op basis van ras, religie of taal verbood. Jordanië is aldus in strijd met de bepalingen van het Mandaat gecreëerd op grondgebied dat voorheen onder het Mandaat viel en waarvan het nooit de bedoeling was dat het permanent van het Joodse nationaal tehuis zou worden afgescheiden. Groot-Brittannië heeft nooit toestemming gekregen om onafhankelijkheid toe te kennen aan de Arabische emir Abdullah van Transjordanië. De niet-rechtsgeldige oprichting van Jordanië heeft verstrekkende gevolgen gehad voor Israël, temeer omdat er nooit adequaat op is gereageerd. Hoewel de permanente afscheiding van Transjordanië in 1946 van Palestina op enthousiaste steun kon rekenen van de Volkenbond – ook toen al bleek de vergadering der volkeren jegens het Joodse volk onbetrouwbaar –, is de afscheiding nooit goedgekeurd door de Permanente Mandaten Commissie en Raad van de Volkenbond, de daarvoor bevoegde juridische organen van de Volkenbond.

  1. De Tweede Wereldoorlog leidde tot de ondergang van de Volkenbond. Deze werd in 1945 vervangen door de Verenigde Naties. Dit had echter geen enkele invloed op de rechten van het Joodse volk op Palestina onder het internationaal recht. In de laatste resolutie van de Volkenbond, in april 1946, werd aangegeven dat het noodzakelijk was om aanhoudend aandacht te geven aan het welzijn en de ontwikkeling van elk, in een mandaat genoemd, volk. Voor Palestina was dit, op grond van het Mandaat van Palestina, het Joodse volk. In artikel 80 van het VN-Handvest worden deze, als inherent aan het Joodse volk erkende rechten, beschermd. Krachtens het Handvest mag geen enkel recht dat vóór de oprichting van de Verenigde Naties aan een volk is toegekend, worden gewijzigd. Alle in het Mandaat van Palestina aan het Joodse volk toegekende rechten, dienen aldus gerespecteerd te worden. Het VN-Verdelingsplan van 29 november 1947 heeft deze Joodse rechten op Palestina in principe niet ongedaan gemaakt om tenminste drie redenen: Ten eerste omdat het VN-Verdelingsplan, belichaamd in VN-resolutie 181, werd aangenomen in een tijd dat het Mandaat nog van kracht was, ten tweede omdat in het VN-Handvest werd bepaald dat de besluiten in dit Mandaat expliciet van kracht bleven en ten derde omdat het VN-Verdelingsplan slechts de status had van aanbeveling, zoals doorgaans het geval is met resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Deze resoluties hebben geen status in het internationaal recht. Het zijn slechts politieke statements die door een meerderheid van stemmen wordt onderschreven. In strijd met de in het Mandaat aan het Joodse volk toegekende rechten, kende het VN-Verdelingsplan nationale en politieke rechten toe aan Arabieren, die het Mandaat nooit zo had bedoeld. Aan de Arabieren werd 82,7% van Palestina toegekend, terwijl voor het Joodse volk uiteindelijk slechts 17,3% resteerde, waarvan circa 65% ook nog eens uit woestijn bestond. En dat, terwijl in artikel 5 van het Mandaat, zoals gezegd, een uitdrukkelijk verbod was opgenomen om het land te verdelen en onder bestuur van een buitenlandse mogendheid te brengen. De VN-resolutie was daarmee in strijd met artikel 5 van het Mandaat en bijgevolg niet-rechtsgeldig. Los daarvan werd Resolutie 181 een dode letter, toen de omliggende Arabische staten in samenwerking met en op aandringen van lokale Arabische leiders de piepjonge staat Israël binnenvielen. Na het uitbreken van de Onafhankelijksoorlog achtte premier David Ben-Goerion Israël terecht niet langer gebonden door het verdelingsplan en annexeerde Israël de gebieden van Palestina buiten de door de Verenigde Naties aanbevolen grenzen, de gebieden die door Joodse strijdkrachten, daarna verenigd als het Israëlische leger, heroverd waren. Zodoende zijn steden als Beër Sheva, Ashkelon, Ashdod, Nahariya, Nazareth, Akko, Lod en Ramla in 1948 onderdeel geworden van de Joodse staat. Onder het niet-rechtsgeldige VN-Verdelingsplan moesten deze onderdeel zijn van een Arabische staat, die er nooit kwam. Desondanks blijven veel landen weigeren Jeruzalem te erkennen als hoofdstad van Israël en Judea en Samaria als het Hartland van de Joodse staat. Hun beleid baseren zij daarmee op de ongeldige VN-resolutie van 29 november 1947, die nooit rechtskracht heeft gehad. Gelukkig heeft President Donald Trump in 2017 Jeruzalem als hoofdstad van Israël erkend en daarmee verklaarde hij de VN-resolutie van 29 november 1947 ook ongeldig!

Wie gelooft in de God van Israël en Zijn Woord – De Bijbel – weet dat Israël beloofd is aan Abraham, Izak en Jacob (Israël) en zijn 12 zonen, de stammen van Israël, als volgt: van de beek van Egypte tot aan de rivier de Eufraat. Dat zal ook zo zijn in de toekomst.

(Bron o.a. http://www.beit-emoenah.nl/26/de-joodse-rechten-op-eretz-israel)